Werkplaatsgids Honda CB750 Four SOHC (1969–1978)

Werkplaatsgids · Honda CB750 Four SOHC · 1969–1978

Werkplaatsgids Honda CB750 Four (SOHC)

Klepspeling, nokkenasketting, twee puntensets en vier carburateurs synchroniseren: het onderhoud van de klassieke Honda CB750 Four.

Inleiding

Deze gids behandelt de Honda CB750 Four met één bovenliggende nokkenas (SOHC), gebouwd van 1969 tot 1978. De latere CB750 met twee nokkenassen (DOHC, vanaf 1979) is een andere motor en valt erbuiten.

Modellen in het kort

  • K0 (1969–1970): de eerste serie; de vroegste ruim 7400 motoren hebben zandgegoten carterdelen ("sandcast") en zijn het meest gezocht.
  • K1 t/m K8 (1970–1978): doorontwikkeling met kleine wijzigingen aan zijdeksels, tank, uitlaat en afstelling. Motor en basismaten blijven gelijk.
  • F0–F3 Super Sport (1975–1978): sportievere versie met 4-in-1 uitlaat en ander zitgedeelte.

Herkennen: dwarsgeplaatste viercilinder-lijnmotor met vier uitlaten (K-modellen) of een 4-in-1 (F-modellen), één schijfrem voor en een trommel achter. Het motornummer staat op het carter; het nummer geeft het model aan.

Bijzonder aan deze motor: droge carter-smering met een aparte olietank, glijlagers op krukas en drijfstangen, en een nokkenasketting die tussen de middelste twee cilinders loopt.

De tekst is een eigen samenvatting van openbare bronnen; het Honda-werkplaatshandboek van je eigen type blijft leidend.

Veiligheid: werk aan een koude motor en koppel de accu los bij werk aan de elektriek. De motor is zwaar (ruim 220 kg); gebruik een stevige middenbok of brug.

Technische gegevens

Alle SOHC-modellen delen dezelfde basis: 736 cc uit 61 × 63 mm, compressie 9:1 en vier Keihin-carburateurs van 28 mm.

OnderdeelWaarde
Motorluchtgekoelde viercilinder-lijnmotor, dwars, SOHC, 2 kleppen per cilinder
Boring × slag61 × 63 mm (langslag)
Cilinderinhoud736 cc
Compressie9,0:1
Vermogen67 pk bij 8000 tpm (K0 opgegeven 68 pk bij 8500 tpm)
Koppelca. 60 Nm bij 7000 tpm
Carburateurs4 × Keihin 28 mm, schuifcarburateurs
Smeringdroge carter met aparte olietank
Ontstekingaccu en bobines, twee sets contactpunten
BougieNGK D8ES-L of ND X24ES
Koppelingnatte meerplaats
Primaire aandrijvingdubbele rollenketting
Versnellingsbak5 versnellingen, ketting naar achterwiel
Remmenschijf 296 mm voor, trommel 179 mm achter
Banden3.25-19 voor, 4.00-18 achter
Tankinhoud17–18 liter, afhankelijk van model
Gewichtca. 218 kg droog, 226–233 kg rijklaar

Enkele bronnen geven 61 × 64 mm of verwisselen boring en slag; 61 × 63 mm is de algemeen aangehouden maat.

Opbouw en smering

De CB750 smeert met een droge carter: de olie staat in een aparte tank, niet onderin het motorblok. Dat is belangrijk bij het controleren en verversen.

De olie staat in een tank; een tweede pomp brengt hem terugOlietankLosse tank naast het framemet peilstok in de dopDrukpompZuigt olie uit de tanken perst die de motor inOliefilterPatroon in een bus onderde voorkant van de motorLagers en kopGlijlagers krukas endrijfstangen, nokkenasCarterbodemOlie druipt terug naarde bodem van het carterRetourpompPompt de olie terugnaar de tank
oliecircuit droge carter · schematisch

De krukas en drijfstangen draaien in glijlagers, zoals in een automotor. Die hebben constante oliedruk nodig; een verstopt filter of te weinig olie gaat dus snel ten koste van de lagers.

Opbouw in het kort

  • Het cilinderblok is in feite in twee helften verdeeld: twee cilinders links, twee rechts, met de nokkenasketting in het midden.
  • De nokkenas bedient de kleppen via tuimelaars met stelschroeven; elke klep heeft een binnen- en buitenveer.
  • De primaire aandrijving naar de koppeling loopt via een dubbele ketting.

Let op bij een motor die lang heeft stilgestaan: olie kan langzaam uit de tank naar het carter weglopen. Controleer het niveau dan na een korte warme rit, niet direct, anders vul je te veel bij.

Periodiek onderhoud

Ververs olie en filter samen; Honda noemt voor de K7 3,5 liter SAE 10W-40, oudere specificaties noemen 3,3 liter.

WerkInterval (richtlijn)Toelichting
Olieniveau in de tankvoor elke rit, na warmdraaienpeilstok in de tankdop
Olie + filter verversenelke 3000 km of jaarlijkstank én carter aftappen
Klepspelingelke 5000 kmmotor koud
Nokkenasketting spannenelke 5000 kmbij geratel eerder
Contactpunten en ontstekingelke 5000 kmeerst puntafstand, dan tijdstip
Bougies (4)elke 5000 km controlerenNGK D8ES-L
Carburateurs synchroniserenelke 5000 kmna klepspeling en ontsteking
Luchtfilterelke 5000 km reinigenvaker bij stof
Ketting smeren en spannenelke 500 kmca. 20 mm speling
Remvloeistofelke 2 jaarDOT 3 of 4, volgens het dekseltje
Voorvorkolieelke 10.000 kmper poot gelijke hoeveelheid

Olie en filter verversen

  1. Rijd de motor goed warm en zet hem rechtop op de middenbok.
  2. Tap de olie af uit de olietank én via de aftapplug van het carter; anders blijft een deel oude olie achter.
  3. Draai de centrale bout van de filterbus los, vang de olie op en vervang het patroon. Let op de juiste volgorde van veer, ring en O-ring.
  4. Monteer de filterbus met nieuwe O-ring en de aftappluggen met nieuwe ringen.
  5. Vul olie in de tank, start de motor en laat hem een minuut stationair draaien.
  6. Zet de motor af en controleer het niveau op de peilstok; vul bij tot de bovenste streep.

Controleer na het starten of het oliedruklampje binnen enkele seconden dooft. Blijft het branden: direct afzetten.

Klepspeling en nokkenasketting

Stel de kleppen af met een koude motor op 0,05 mm inlaat en 0,08 mm uitlaat; meer speling is hier geen veiligheidsmarge maar geeft een luid ratelende kop.

KlepSpeling (koud)
Inlaat0,05 mm (0,002 inch)
Uitlaat0,08 mm (0,003 inch)

Klepspeling in twee stappen

  1. Verwijder de tank, de acht klepdopjes en het deksel van de contactpunten.
  2. Draai de krukas met een sleutel op de bout van de puntenas met de klok mee tot de markering "T 1.4" bij de wijzer staat én cilinder 1 in compressie staat (beide tuimelaars van cilinder 1 hebben speling).
  3. Stel nu af: cilinder 1 inlaat en uitlaat, cilinder 2 uitlaat, cilinder 3 inlaat.
  4. Draai de krukas één volle slag (360°) verder tot weer "T 1.4". Cilinder 4 staat nu in compressie.
  5. Stel af: cilinder 4 inlaat en uitlaat, cilinder 2 inlaat, cilinder 3 uitlaat.
  6. Gebruik een schone, vetvrije voelermaat. Houd de stelschroef vast bij het vastzetten van de contramoer en meet daarna opnieuw.

De ontstekingsvolgorde is 1-2-4-3; daardoor kun je in twee posities alle acht kleppen bereiken.

Nokkenasketting spannen

  1. Zet cilinder 1 in compressie en draai daarna 15° verder dan BDP (de markering na "T 1.4").
  2. Draai de borgmoer en de bout van de kettingspanner achter op het cilinderblok los.
  3. De spanner wordt door een veer aangedrukt en neemt de speling zelf weg, als hij niet vastzit.
  4. Zet eerst de bout licht vast en daarna de borgmoer. Niet te vast: de schroefdraad zit in aluminium.
  5. Blijft de ketting ratelen, dan zit de spanner vaak vast of zijn het rubber en de geleiders versleten. Dat vraagt demontage.

Ontsteking

Stel altijd eerst de puntafstand van beide sets af en daarna het tijdstip, eerst voor 1-4 en dan voor 2-3. Het werkplaatshandboek van de K7 geeft F op 15° voor BDP bij 1200 tpm en volledige vervroeging rond 43° bij 4500–5350 tpm.

Twee puntensets, elk voor een cilinderpaarPuntenset 1-4Stellen op markering F 1.4Bobine 1-4Vonkt twee bougies tegelijkBougies cilinder 1 en 4Een nuttige vonk, een loosPuntenset 2-3Stellen op markering F 2.3Bobine 2-3Vonkt twee bougies tegelijkBougies cilinder 2 en 3Een nuttige vonk, een loos
ontsteking · twee circuits voor vier cilinders

Elke bobine vonkt twee bougies tegelijk: in de ene cilinder ontsteekt die het mengsel, in de andere valt de vonk in de uitlaatslag en doet niets.

WaardeInstelling
Puntafstand0,3–0,4 mm (gangbare Honda-waarde; controleer je handboek)
Tijdstip stationairmarkering F, bij de K7 15° voor BDP bij 1200 tpm
Volledige vervroegingca. 43° voor BDP bij 4500–5350 tpm (K7)
BougieNGK D8ES-L, elektrodenafstand ca. 0,6–0,7 mm

Oudere K-modellen kunnen andere waarden hebben; de F-markeringen op de vervroeger gelden voor het eigen model.

Werkwijze

  1. Verwijder het deksel van de contactpunten (rechts voor op het blok).
  2. Draai de motor tot de 1-4 punten maximaal open staan en stel de afstand af; herhaal voor de 2-3 punten.
  3. Sluit een testlampje aan op de 1-4 punten, contact aan.
  4. Draai de motor langzaam tot de markering F 1.4 bij de wijzer staat. Het lampje moet precies daar aan gaan. Verdraai de hele basisplaat tot dat klopt.
  5. Doe hetzelfde voor de 2-3 punten op markering F 2.3; die stel je bij met het aparte plaatje van die set.
  6. Controleer met een stroboscoop: stationair op F, bij hoger toerental moet de markering naar het vervroegingsteken schuiven.

Vier carburateurs synchroniseren

Synchroniseer pas als klepspeling en ontsteking goed staan; anders stel je de carburateurs af op een fout elders. Het doel: alle vier de cilinders trekken evenveel vacuüm.

Benodigd: een set van vier vacuümmeters of kwikkolommen, aansluitnippels voor de inlaatspruitstukken en een ventilator om de motor koel te houden.

Werkwijze

  1. Rijd de motor warm (ca. 10 minuten) en zet een ventilator voor de motor.
  2. Zet de schuiven eerst mechanisch gelijk: draai elke stelschroef tot de schuif net beweegt, met de carburateurs in rust.
  3. Sluit de meters aan op de vier inlaatspruitstukken en start de motor.
  4. Breng het toerental naar 2500–3000 tpm en houd het constant. Stel de kabels of stelschroeven bovenop de carburateurs bij tot de vier meters gelijk staan.
  5. Laat terug naar stationair en stel met de stationairschroeven een gelijk vacuüm in, bij ongeveer 900–1000 tpm.
  6. Stel per carburateur de mengschroef af op het hoogste, rondste toerental en controleer de meters daarna opnieuw.
  7. Controleer tot slot de gaskabelspeling (2–3 mm) en of het stationair niet stijgt bij volledig gedraaid stuur.

Tips

  • Een hogere stand op de meter betekent meer vacuüm = die schuif staat verder dicht.
  • Lekkende inlaatrubbers maken synchroniseren onmogelijk; vervang gescheurde rubbers eerst.
  • Verschillen tussen cilinders van meer dan een paar centimeter kwik na afstellen wijzen op klep- of compressieproblemen: doe een compressietest.

Koppeling, ketting, remmen en storingzoeken

De koppeling loopt in de motorolie; de achterketting en de voorschijfrem vragen het meeste regelmatige onderhoud.

  • Koppeling: 10–20 mm vrije slag aan het uiteinde van de hendel. Gebruik motorolie zonder frictieverbeteraars.
  • Ketting: ca. 20 mm speling halverwege het onderste deel. Een versleten ketting slijt de tandwielen en kan het carter beschadigen als hij breekt.
  • Voorrem: schijf met één remklauw. Vervang de blokken als de voering bijna op de rode lijn of het plaatje zit, en ververs de remvloeistof elke twee jaar.
  • Achterrem: trommel; stel af zodat de rem pakt in het eerste kwart van de slag.
  • Elektriek: 12 volt met dynamo, gelijkrichter en regelaar, elektrische start en kickstarter.
KlachtMogelijke oorzaakControle
Start niet, startmotor draait traagaccu, massakabel, startrelaisaccuspanning tijdens starten
Twee cilinders koud (1-4 of 2-3)puntenset, condensator of bobine van dat paarvonktest per paar, punten
Eén cilinder koudbougie, bougiedop, carburateur of klepbougie wisselen, carburateur reinigen
Onrustig stationaircarburateurs niet synchroon, luchtlekvacuüm meten, inlaatrubbers
Ratelen boven in de motornokkenasketting of klepspelingspanner afstellen, kleppen meten
Oliedruklampje brandtte weinig olie, pomp, filterniveau in tank, direct afzetten
Accu laadt nietregelaar, gelijkrichter, dynamolaadspanning ca. 14–14,5 V bij 3000 tpm
Koppeling sliptolie met frictieverbeteraars, platenolie, vrije slag, platen meten
Schokkend rijden bij lage snelheidversleten primaire ketting of slechte kettingketting en primaire aandrijving

Tip: met een infraroodthermometer zie je na een minuut stationair direct welke uitlaatbocht koud blijft.

Aanhaalmomenten

Honda geeft in het werkplaatshandboek een volledige lijst; gebruik die voor cilinderkop, krukas en wielassen. Onderstaande waarden zijn algemene richtwaarden voor kleinere bouten in aluminium, niet uit Honda-documentatie.

Bout / moerRichtwaarde
M6 (deksels, klepdopjes-houders)8–10 Nm
M8 (algemeen)18–22 Nm
Bougie (12 mm, D8ES-L)12–15 Nm
Kettingspanner nokkenaskettinglicht, schroefdraad in aluminium
Cilinderkop, krukas, assenvolgens werkplaatshandboek

Draai kopmoeren in de voorgeschreven volgorde in stappen aan, van binnen naar buiten.

Bronnen

Geraadpleegd op 17 oktober 2026; alle tekst in deze gids is eigen bewerking.

Aanvulling of foutje gezien?

Heb je relevante aanvullingen, of kom je onvolkomenheden of fouten tegen? Meld het even via info@classicmotofix.com. Dan pas ik het aan.

← Alle werkplaatsgidsen